Afspraak aan het Weerwater

Verwonderd draait ze haar hoofd van rechts naar links. ‘Rechts is het water donkerblauw en links is datzelfde water zilver’, bedenkt ze. Ze blijft de beweging herhalen en weet daarmee het opkomende dreigende gevoel wat naar de achtergrond te plaatsen. Het geluid van het klotsende water helpt daarbij.

Griet zit te wachten op de man. Per telefoon spraken ze af op de steiger in het Weerwater, om half twee deze dinsdagmiddag. Griet twijfelt hevig of ze er goed aan doet, maar ze kan nu niet meer terug, meent ze. Om het zenuwachtige gevoel niet te hoeven voelen concentreert ze zich op de meerkoetjes in het water. In plaats van in één grote groep liggen de meerkoeten ieder apart in het water met een grote ruimte om hen heen. ‘Het zal wel een reden hebben’, denkt ze, ‘maar dat is er dan eentje die ik niet ken’. Rillend trekt ze haar zomerjasje wat dichter om haar lijf, ze had toch wat warmers moeten aantrekken. ’t Is per slot van rekening oktober, hoewel je dat nog niet aan de kleur van de bomen kon zien. Een mandarijnenschil aan haar voeten trekt haar aandacht, ‘die ligt er nog maar pas aan het schilletje te zien. Misschien is tie wel van de man, zat hij hier zopas ook al op ditzelfde bankje en ligt hij nu naar mij te gluren achter die bosjes’ denkt ze met een opkomende paniek. Plots overvalt haar de drang om te vluchten ‘Dit is niet goed, ik doe het niet, ik moet hier weg’. Griet pakt haar koffer op en loopt/rent van de steiger. Terug naar huis. In de straat naast het ziekenhuis start een auto.

Door: Janneke Middelkamp

Naar aanleiding van een schrijfopdracht van Connie Franssen in de Write Way cursus.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *